Een nieuw begin

Eerst de gaatjes graven, zo’n 15 centimeter diep. Dan de bolletjes erin. Klein en bruin, in de vorm van een druppel. Nu nog moeilijk te geloven dat ze straks vol kleur het nieuwe begin aankondigen. De winter is voorbij, zullen ze roepen, nu gaat alles weer groeien. Heb je de lammetjes al gezien, de merel al horen zingen?

Terwijl mijn vingers in de koude grond verder werken dwalen mijn gedachten af naar ‘ome’ Simeon. Neef van mijn opa en begenadigd verteller. Ademloos kon ik luisteren naar zijn verhalen. Over zijn hamsters Hammie 1 en Hammie 2, die regelmatig uit hun kooi ontsnapten en dan allerlei kattenkwaad uithaalden. Toen ik wat ouder werd kregen zijn verhalen een serieuzere ondertoon. Eén keer vertelde hij me een verhaal dat me altijd is bijgebleven.

Simeon was joods, om tijdens de Tweede Wereldoorlog uit handen te blijven van de Duitsers dook hij met zijn familie onder. Hoe langer de oorlog duurde, hoe slechter hun situatie werd. Een schaduw valt over zijn gezicht als hij vertelt. ‘We hadden steeds minder te eten. Onze buiken deden zoveel pijn dat we alles probeerden om dat knagende gevoel maar op te laten houden. Ik at zoveel uien dat ik ze nu niet meer lust. Toen we daar ook niet meer aan konden komen werden het tulpenbollen.’ Verschrikt kijk ik op. ‘Maar oom, dat is toch vies. Werden jullie daar niet ziek van?’ ‘We waren ziek van de honger lieverd, we moesten wel.’ Dat laatste jaar van de oorlog kende geen kleurrijke bodes van een nieuw begin; opgegeten voordat ze hun vrolijke bericht konden verspreiden. Toch ging hun boodschap niet verloren. Een paar maanden later kwam hij, verhuld in grauwe lompen. De oorlog was eindelijk afgelopen. Op Bevrijdingsdag maakten ome Simeon en zijn familie dankzij de tulpenbollen een nieuw begin.

Bevrijdingsdag, 73 jaar later. Vanuit het grote raam in mijn woonkamer zie ik de tulpen bloeien. Rood, roze, geel wit… ‘We zijn er weer!’, lijken ze te roepen ‘wat duurde de winter lang hè? Maar nu zij we er, nu gaat alles beginnen.’ ‘Wat fijn dat jullie er weer zijn’, fluister ik met een glimlach terug, ‘Wat een prachtig nieuw begin.’

Hoe een schrijver verdween

Als een verhaal goed gelukt was ging hij er soms zelf een beetje in geloven. Alsof hij het echt had meegemaakt. Dan betrapte hij zichzelf tijdens een verjaardagfeestje, geanimeerd vertellend over hoe hij die hoge bergtop had bedwongen.

Raar werd het toen hij zichzelf onder een kattenbelletje opeens zijn pseudoniem zag zetten. Hij zag wel dat er iets niet klopte, maar het duurde even voor hij inzag wat het was.

Eng werd het toen hij zijn vrouw niet meer herkende. Althans, voor haar. Hij voelde zich geweldig, en dacht alweer na over de volgende beklimming.

Kwijt

Ik ben mezelf kwijt. Opnieuw. Tijdens een etentje met twee vriendinnen ben ik opeens verdwenen, zonder nader bericht. Mijn lijf voelt leeg. En blijkbaar heb ik de deur ergens op een kier laten staan, want Mening, Verwachting en Gevoel genieten van de ruimte. Ze cirkelden al een tijdje als aasgieren om me heen, nu strijden ze met elkaar om de beste plek in mijn lichaam.

Aan de buitenkant zie je niks van die innerlijke strijd. Verbaasd bestudeer ik op het toilet mijn spiegelbeeld, in de hoop dat het iets prijsgeeft over waar ik ben. Het moedervlekje op mijn wang. Mijn kleine, blauwgrijze ogen. Mijn stevige onderlip. Het blonde, springerige haar. Maar ik hoor alleen de bijtende woorden van Mening. ‘Je bent te dik, ik zie vetrolletjes door je shirt heen! Wát een rimpeltjes om je ogen. Je had vorige week al bij de kapper moeten zitten!’

Ik draai me weg van de spiegel voor ze het volgende salvo afvuurt. Ik moet mezelf zien terug te vinden. Nu ben ik als een huis zonder stoffering, waar kaal beton het schrille stemgeluid van Mening weerkaatst. Wanneer heb ik mezelf voor het laatst gezien?

Ik loop het toilet uit en voel hoe Verwachting mijn gezicht in een glimlach wringt. Ze duwt mijn verdriet en zorgen zonder mededogen weg en overhandigt de tekst van ‘de gezellige vriendin’. Dus luister ik, ik troost, ik lach en vraag. Hoe beter ik mijn rol speel, hoe harder Verwachting juicht. Ondertussen en onzichtbaar demp ik mijn verdriet met veel meer eten dan ik op kan. Terug op de fiets huil ik. Verwachting lacht: zij heeft gewonnen.

De volgende ochtend ben ik nog steeds weg. Ik probeer Mening te negeren als ik mijn rode jurkje uit de kast pak. Als ik weg ben, moet kleding maar kleur brengen. Verwachting knikt instemmend. Gevoel is inmiddels ongeduldig geworden en slaat toe zodra het kan. Collega H. vertelt over haar scheiding even later stampt Gevoel gniffelend op mijn maag, trekt aan mijn schouders en balt mijn vuisten. Was ik er geweest, dan had ik ‘STOP!!!’ geschreeuwd, maar ik ben er niet. H.’s woorden spoelen als een zwarte waterval van verdriet, woede en pijn door me heen. Terwijl Gevoel geniet alsof ze in een warm bad met geurig schuim ligt, voel ik dat het zuur van de woorden me van binnen steeds verder uitbijt.

Ik sleep me door de dag. Gek genoeg zijn het juist Mening, Verwachting en Gevoel die me op de been houden. Ze maken keuzes, vormen woorden, bepalen mijn handelen. Ik laat ze, terwijl ik ergens achterin mijn hoofd, uit het zicht, een coup voorbereid.

Het moeilijkste is het begin. Ik moet ze verrassen. Terwijl Mening, Verwachting en Gevoel ruziën over wie nu aan de beurt is ren ik razendsnel de kantoortrap af. Geen jas, dat zou teveel van mijn plannen prijsgeven. Ik grijp mijn fiets en race de regen in. Mijn benen pompen, de wind blaast. Doornat en hijgend kom ik aan bij het strand. Ik gooi mijn fiets neer, trap mijn schoenen uit en ren naar zee. Er is niemand, de lucht is donker en wijds. Ik zuig mijn longen vol met zuurstof, voel me vrij… en kom voorzichtig tevoorschijn.

‘Welkom terug’, fluister ik tegen mezelf, ‘ik heb je gemist. Ik snap dat je weg wilde, maar ik heb je nodig. Alleen jij kan Mening, Verwachting en Gevoel aan. Wil je het alsjeblieft nog een keer proberen?’ De wind blaast, maar ik sta stevig. Mening, Verwachting en Gevoel zoeken timide een plekje op aan de rand van mijn lijf. Heel even voel ik me supervrouw.

‘Zeemeeuw’ gepubliceerd in boek!

Met mijn verhaal Zeemeeuw ben ik doorgedrongen tot de korte verhalen-wedstrijd van nationaal platform Sweek! Alle finalisten worden opgenomen in een boek, en zo komt het dat ik nu door een boek kan bladeren met mijn naam erin. Zo leuk!

Wil je Zeemeeuw lezen? Klik dan op de link hieronder.

Zeemeeuw

Volgorde

Deel I

Wanneer begrijpt hij het, denkt ze, terwijl ze met het schuursponsje een restje aangekoekte saus van een opscheplepel poetst. Het moet in de juiste volgorde. Eerst afspoelen, dan de kopjes, de borden, de pannen en tot slot het bestek. Tablet erin, draaien maar! Hoe vaak heeft ze het al uitgelegd?

Maar na vandaag zal hij weten hoe belangrijk volgorde is. Ze kookt een heerlijk maal. Als het klaar is kiepert ze de pannen leeg in de vuilnisbak. Op zijn bord legt ze de lege verpakkingen. ‘Smakelijk!’

Deel II

Altijd heeft ze wat aan te merken. Zelfs de vaatwasser moet ingericht volgens een vast protocol. Staat er maar één kopje verkeerd, dan gaat het de rest van de avond over ‘het belang van de juiste volgorde’.

Vandaag heeft hij de kopjes onderin gezet, de pannen boven. Zie haar bezig met haar wraak: ze serveert alleen de verpakkingen van het eten. Terwijl ze haar preek over volgorde afsteekt werkt hij met een stoïcijns gezicht het plastic naar binnen en verdwijnt naar de wc. Even later is hij terug, een flinke drol op het bord. ‘Zo. Volgorde toch?’

Deel III (Slot)

Ze zitten naast elkaar op de bank, zwijgend. De tv schettert. Tussen hen in hangt wat eerder die dag gebeurde. Haar verbeten pogingen hem de vaatwasser in de juiste volgorde te laten inruimen, zijn kinderachtige wraak.

Na Nieuwsuur sloft ze naar boven, hij volgt zonder nadenken. Ze trekt haar nachtpon aan. Haar witte benen onder het roze kant ontroeren hem, net als het toefje grijze borsthaar boven zijn pyjamajas haar ontroert. ‘Kusje?’ Hij voelt haar donzen wang. Met een glimlach knipt hij het bedlampje uit. Van al die zestig jaar nog geen dag spijt.

Winnaar schrijfwedstrijd

Ik kan het nog steeds niet geloven… Met mijn verhaal Duindoorn heb ik een schrijfwedstrijd gewonnen, georganiseerd door het schrijverscollectief 500 Magazine aan Zee, boekhandel Laan uit Castricum en het Nieuwsblad voor Castricum.

Ik mocht het verhaal voordragen en kreeg de prijs uitgereikt van de wethouder Cultuur van de gemeente Castricum.

Wil je Duindoorn lezen? Klik op de link hieronder.

Duindoorn

Zeemeeuw

‘Als we voor elkaar gemaakt zijn, kom ik je hier vanzelf weer tegen.’ Het licht van de vuurtoren strijkt over haar gezicht . Licht-donker-licht. Net lang genoeg licht om haar serieuze blik te zien. En ik, stapelverliefd, kan niet anders dan haar geloven.

Sindsdien ga ik elk jaar naar Terschelling. Dit is de twintigste keer. Vanaf de boot kan ik de Brandaris al zien, het baken van mijn hoop. Even later loop ik er over de klinkerstraatjes naartoe. Het regent zachtjes. Zoals altijd durf ik eigenlijk niet te kijken, bang voor opnieuw een teleurstelling. Tegelijkertijd kan ik niet wachten tot ik er ben.

Ze is er niet. Ik haal diep adem, strijk met mijn hand over de ruwe stenen van de vuurtoren. ‘Tja jongen, ik weet ook niet waarom ik er in blijf geloven.’ Ik staar naar de grijze lucht. Een zeemeeuw vliegt tegen de storm in naar zee, steeds verder bij me vandaan.

Tijd op om te warmen. Bij Hotel NAP bestel ik koffie. Terwijl ik wacht blader ik door de Terschellinger. Mijn oog valt op een rouwadvertentie. Onderaan: ‘Voor wie wacht bij de Brandaris: Lisa is je nooit vergeten.’ Er is een zeemeeuw bij getekend.