Vrij

Hij schildert een huis in een volksbuurt. Afgebladderd grijswit verandert in fris roomwit. Van achter de schutting van het naastgelegen huis hoort hij zingen, zo mooi dat zijn kwast in de lucht blijft hangen. ‘Prachtig’, verzucht hij. ‘Dank u’, antwoordt de vrouw zonder gezicht. Ze heeft een zwaar accent. ‘Is oud liedje over vogel. Hij vliegt door lucht, zo blij dat hij is vrij.’ ‘Net als u?’, vraagt hij. Even is het stil. Dan ziet hij voor het eerst haar ogen, donker en droevig boven de schutting. ‘U maakt huis mooi, ik dacht ik alleen nog zien stuk huis.’

Waterschapsporno

‘Zo!’ Collega M. kijkt als gehypnotiseerd naar zijn beeldscherm. P. en L. kijken over zijn schouder mee. Als olympische synchroonzwemmers kantelen ze hun hoofd, om even later weer terug te kantelen. Ogen twinkelen, opgewonden kreten worden nauwelijks binnen gehouden. Collega T. kan zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en loopt naar de mannen toe. Zijn ogen worden groot als hij ziet wat zich op het beeldscherm afspeelt. ‘Dat ziet er goed uit!’

Ik probeer door te werken, maar het rumoer tegenover me leidt teveel af. Ik capituleer en ga kijken naar het voorwerp van begeerte. Het is een brug.

Anti-Koninginnedag

We waren allemaal bijna twintig en hadden de gretigheid naar het leven die bij die leeftijd hoort. Nog studerend of net aan onze eerste baan begonnen, gelovend in die ene en eeuwige liefde. Ingewikkeld zou pas veel later komen, daden leken zonder consequenties. De wereld was er om te veroveren.

Koninginnedag moest anders, vonden we. Op de kaart van Nederland prikten een plaats met onze ogen dicht. Het werd een gehucht vlakbij Utrecht. We verzamelden bij N om 11 uur, alleen tegen B zeiden we dat we om 10.30 uur hadden afgesproken. Zo was iedereen er om 11 uur. In twee kleine rode autootjes, geleend van twee moeders, reden we naar de uitgekozen plek die onverwachts mooi bleek. In het gras, onder wat bomen en naast een meertje lachten we, praatten we, viel B uit een boom, maakte ik met mijn vingers als enige keukengerei tompoucen van het Aldi-bouwpakket, werden we roezig van de rosé.

Later in de middag verdween het zonnetje achter de wolken. We deden onze truien aan, aten de laatste restjes chips en keken naar de weerspiegeling van de wolken in het meertje. ‘Wat doen we over tien jaar?’, vroeg N, ‘vieren we dan nog steeds ‘anti-Koninginnedag?’ ‘Tuurlijk!’, riep ik, vastbesloten en idealistisch. ‘Dit, wij-hier-ons, dat blijft altijd.’

Inmiddels is het twintig jaar later. Onze vrijgezellen hebben vaste relaties, één van ons is geëmigreerd naar een land aan de andere kant van de wereld. De relaties van toen zijn over, er zijn nieuwe voor in de plaats gekomen. Er zijn kinderen, minder haar en meer kilo’s. Zelfs Koninginnedag bestaat niet meer. We spreken elkaar niet vaak meer, maar wanneer we elkaar spreken is er altijd wel iemand die zegt ‘Weet je nog?’. Dan glimlachen we, en voelen ons weer even zoals toen.

Au-sana

‘Goed zo, adem uit en zak nog dieper in de houding.’ Het zweet staat op mijn voorhoofd, ik voel spieren trillen waarvan ik niet eens wist dat ik ze had, maar opgeven is geen optie. Onder mijn arm door gluur ik naar Rasheem. Zijn prachtige glanzende lichaam, de opbollende spieren in zijn strakke yogaoutfit. Zijn zachte aanraking als hij me helpt met een lastige asana. Hij komt naast me staan. IJverig zak ik nog dieper, mijn protesterende spieren negerend. ‘Prachtig, kom nu uit de houding.’ ‘Help’, pers ik er met moeite uit. Ik geloof dat er iets is gescheurd.

Miscommunicatie

‘Ik ben lekker bezig’, dacht Solist. Hij had een duidelijk doel voor ogen en ging dat halen ook. ‘Waarom ziet hij mijn verdriet niet?’, dacht Empaat, die niks durfde te zeggen. Solist ging door. Ook toen Empaat na lang aarzelen fluisterde dat het niet zo goed ging. Empaat overdacht alles en daarna nog een keer en nog een keer, raapte al zijn moed bijeen en zei het hardop: ‘Het gaat niet zo goed.’ Maar hij werd nog steeds niet gehoord. ‘DIT GAAT ZO NIET LANGER!!’, schreeuwde Empaat vervolgens. ‘Waarom heb je me dat niet eerder verteld?’, vroeg Solist.

De bioloog

Hij werd verlegen geboren. Hij wilde de schoonheid van de aarde bezingen, maar hij durfde niet. Bij dieren voelde hij zich meer thuis dan bij mensen. Stil mocht hij naar ze kijken, zonder dat ze iets van hem verlangden. Alleen dat hij ze vrij liet in waar ze mee bezig waren.

Na zijn studie mat hij zich het groene uniform aan van zijn beroepsgroep. Het bood hem veiligheid. Langs de slootkant verdween hij in het gras, terwijl hij naar haar keek en nu wel de woorden vond om moeder aarde te bewieroken: groene glazenmaker en gevlekte witsnuitlibel.

Barst

Links is van mij, rechts van hem. Ik de groene leunstoel, de bank en de televisie, hij de stereo, de eettafel en de printer. Gek eigenlijk hoe het nu pas echt tot me doordringt, nu ik onze spullen zo zie staan. Er is geen onze meer, er is alleen maar van jou of van mij.

‘Pas op!’ Mark manoeuvreert de spiegel tussen de spullen door over het middenpad, een stukje niemandsland tussen hem en mij. Ik probeer snel opzij te gaan, een kerstboomstandaard prikt in mijn knieholte.

De spiegel, onze eerste gezamenlijke aankoop. Toen we de haard met de schouw erboven zagen wisten we het zeker: dit is ons huis. Nog voor de makelaar de sleutel in het slot stak vonden we het al geweldig, de schouw maakte ons verliefd. We hadden elkaar met stralende ogen aangekeken en gedroomd over een knisperende haard en een goed boek. Af en toe zou ik even stoppen met lezen en mijn hoofd op zijn schouder leggen, hij zou mijn haar strelen en me kussen. Op de schouw een grote spiegel die ons geluk reflecteerde.

Bam! Met een klap stoot de spiegel tegen een tafelpoot. ‘Ga dan ook aan de kant trut!’ Lieve woordjes lijken lang geleden.  Stil veeg ik de scherven bij elkaar, scherpe randjes vermijdend. Ik schrik als ik in een grote scherf de weerspiegeling van onze gezichten zie. De scherf is doormidden gebroken, maar de helften zijn nog niet helemaal los. Er loopt een barst tussen hem en mij.

Niet op je strepen staan

Dorstige tijger wilde drinken bij de poel. Daar schrok hij zo van zijn spiegelbeeld dat zijn haren recht overeind gingen staan. Zijn strepen waren weg! Hij probeerde te doen alsof er niets aan de hand was, maar de zebra’s hadden hem in de gaten. ‘Haha, hinnikten ze, ‘wij drinken voortaan eerst, want wij hebben een streepje voor!’ Zelfs de okapi’s die toch maar een paar strepen hebben verkneukelden zich. ‘Goed gewassen gisteravond? Streeploos schoon!’ Toen kreeg tijger een idee. Van steppegras maakte hij een grote kraag. ‘Voortaan ga ik als leeuw door het leven. Streep eronder!’

Het bijzondere varkentje

Varkentje wilde bijzonder zijn. ‘Iedereen heeft al een krulstaart’, beklaagde hij zich bij zijn moeder. ‘Ik wil een rechte staart!’ Hij vroeg schaap aan zijn staart te trekken. Schaap nam de krulstaart in zijn bek en trok en trok, maar de staart ging alleen maar erger krullen. Toen vroeg hij koe op zijn staart te staan, maar dat deed alleen maar pijn. Moedeloos liet varkentje zijn hoofd in het stro zakken. Toen voelde hij zijn moeders warme snoet. ‘Niemand heeft zo’n krul als jij. Door jouw krulstaartje vind ik je terug in een drukke stal. Jij bent heel bijzonder!’

Een nieuw begin

Eerst de gaatjes graven, zo’n 15 centimeter diep. Dan de bolletjes erin. Klein en bruin, in de vorm van een druppel. Nu nog moeilijk te geloven dat ze straks vol kleur het nieuwe begin aankondigen. De winter is voorbij, zullen ze roepen, nu gaat alles weer groeien. Heb je de lammetjes al gezien, de merel al horen zingen?

Terwijl mijn vingers in de koude grond verder werken dwalen mijn gedachten af naar ‘ome’ Simeon. Neef van mijn opa en begenadigd verteller. Ademloos kon ik luisteren naar zijn verhalen. Over zijn hamsters Hammie 1 en Hammie 2, die regelmatig uit hun kooi ontsnapten en dan allerlei kattenkwaad uithaalden. Toen ik wat ouder werd kregen zijn verhalen een serieuzere ondertoon. Eén keer vertelde hij me een verhaal dat me altijd is bijgebleven.

Simeon was joods, om tijdens de Tweede Wereldoorlog uit handen te blijven van de Duitsers dook hij met zijn familie onder. Hoe langer de oorlog duurde, hoe slechter hun situatie werd. Een schaduw valt over zijn gezicht als hij vertelt. ‘We hadden steeds minder te eten. Onze buiken deden zoveel pijn dat we alles probeerden om dat knagende gevoel maar op te laten houden. Ik at zoveel uien dat ik ze nu niet meer lust. Toen we daar ook niet meer aan konden komen werden het tulpenbollen.’ Verschrikt kijk ik op. ‘Maar oom, dat is toch vies. Werden jullie daar niet ziek van?’ ‘We waren ziek van de honger lieverd, we moesten wel.’ Dat laatste jaar van de oorlog kende geen kleurrijke bodes van een nieuw begin; opgegeten voordat ze hun vrolijke bericht konden verspreiden. Toch ging hun boodschap niet verloren. Een paar maanden later kwam hij, verhuld in grauwe lompen. De oorlog was eindelijk afgelopen. Op Bevrijdingsdag maakten ome Simeon en zijn familie dankzij de tulpenbollen een nieuw begin.

Bevrijdingsdag, 73 jaar later. Vanuit het grote raam in mijn woonkamer zie ik de tulpen bloeien. Rood, roze, geel wit… ‘We zijn er weer!’, lijken ze te roepen ‘wat duurde de winter lang hè? Maar nu zij we er, nu gaat alles beginnen.’ ‘Wat fijn dat jullie er weer zijn’, fluister ik met een glimlach terug, ‘Wat een prachtig nieuw begin.’