Hoe een schrijver verdween

Als een verhaal goed gelukt was ging hij er soms zelf een beetje in geloven. Alsof hij het echt had meegemaakt. Dan betrapte hij zichzelf tijdens een verjaardagfeestje, geanimeerd vertellend over hoe hij die hoge bergtop had bedwongen.

Raar werd het toen hij zichzelf onder een kattenbelletje opeens zijn pseudoniem zag zetten. Hij zag wel dat er iets niet klopte, maar het duurde even voor hij inzag wat het was.

Eng werd het toen hij zijn vrouw niet meer herkende. Althans, voor haar. Hij voelde zich geweldig, en dacht alweer na over de volgende beklimming.

Verlangen

Het zal nu wel niet lang meer duren. Ik glimlach: Alles staat klaar. Het mooie damasten tafellaken, het servies van oma, kristallen glazen met wijn en midden op de tafel een grote kandelaar met vijf kaarsen. En het eten ruikt zo lekker! Ik zou graag een hapje nemen, maar ik moet nog even geduld hebben. Tot hij er is.

Ik check mezelf in de spiegel. De donkerblauwe feestjurk laat mijn ogen goed uitkomen. Mijn lange blonde haar heb ik opgestoken, een beetje lippenstift maakt het af. Ik geef mezelf een knipoog. Hij zal niet weten wat hij ziet! Even denk ik zijn sleutel in het slot te horen, maar de deur blijft dicht. Teleurgesteld ga ik weer aan tafel zitten. Het kan nu toch echt niet lang meer duren.

Het leukst vind ik het te fantaseren over hoe we elkaar hebben ontmoet. Misschien wel in de bus. Dat ik een paar boeken liet vallen, hij ze voor me opraapte en we elkaar in de ogen keken… boem, liefde. Of op kantoor. Weken van stiekeme glimlachjes, tot hij me bij het kopieerapparaat zijn liefde bekende. Als ik in een heel romantische bui ben bedenk ik me dat hij vast dokter is, en dat de vonk is overgesprongen toen hij me onderzocht.

Het eten is koud geworden. Ik neem een paar lusteloze happen en gooi het dan weg. Misschien had hij het te druk vandaag, en komt hij morgen. Ik ga de ontbijtborden vast klaarzetten.

Duindoorn

Zodra ik de deur open doe ruik ik het. Ik loop langs de Chesterfield waarin hij zijn dagen doorbrengt, schuif de gordijnen opzij en de schuifpui open. ‘Pa, het is muf hier. Je moet vaker een raam open zetten!’. Met een zucht legt hij de krant weg. Dan grinnikt hij. ‘Je lijkt je moeder wel. Zodra het kon moesten de ramen open. Ik ging dan demonstratief met een ijsmuts op aan tafel zitten. Maar dat deed ´r niks! Volgens haar was frisse lucht een eerste levensbehoefte.’

 

Het huis aan de duinen. Mijn ouders kochten het zodra mijn zus en ik uitvlogen. De stad met al zijn nukken waren ze meer dan zat. Per toeval belandden ze in Bakkum. Het was een mooie zomerse namiddag, de zon veranderde het helmgras in goud. Onderweg naar huis waren ze even uit de auto gestapt om, zoals ma bezoekers graag vertelde, de geur van het duin op te snuiven. Toen zagen ze het huis aan de duinrand, met zijn achterpui van glas. Vanaf de bank in de woonkamer keek je zo het duin in.

Eerst maakte ze dagelijks lange wandelingen in het duin, om dan terug te komen met rode wangen, stralende ogen en vol verhalen over vlinders, wilde paarden en Schotse Hooglanders. Haar wandelingen werden steeds korter, tot ze nog maar eens per week een rondje om het huis maakte. Toen ze er op de kop af een half jaar woonden overleed ze. Sindsdien zit pa met de gordijnen dicht in de woonkamer. Alsof de aanblik van de duinen hem te veel pijn doet.

‘Kom op pa, we gaan een kroketje halen bij De Klomp.’ Mijn geheime wapen om hem even uit zijn stoel te krijgen blijkt ook na vijf jaar nog effectief. In de auto komen de verhalen. Dat ze aten bij Hotel Borst, en vol verrukking tegen elkaar hadden gezegd ‘Als we hier toch eens woonden!’. Hoe ma genoot van de oude kastanjebomen langs de Van Oldenbarneveldweg. De poort van het dorp, zei ze altijd. Op de terugweg kijkt hij alleen, maar zegt niks meer. Mijn hart breekt als ik hem alleen achterlaat, in zijn schemerige kamer.

Terug in de grote stad laat het beeld me niet los. Met mijn zus praat ik over het huis aan de duinen. Moeten we het verkopen? Als pa bij ons in de buurt woont kunnen we hem vaker meenemen voor een uitstapje. We spreken af dat ik het er voorzichtig met hem over probeer te hebben.

Een beetje gespannen stap ik binnen. In mijn hand een zakje kroketjes, ze zijn nog warm. ‘Hallo pa.’ Geen antwoord. De woonkamer baadt in het licht, de schuifdeur staat open. Even slaat de schrik me om het hart. Hij zal toch niet….? Dan hoor ik gelach van buiten. Pa, met een vrouw. Hij heeft een takje duindoorn vast. ‘Lekker, echt! En vol vitamine C.’ Zachtjes leg ik het zakje kroketten op de eettafel en sluip uit huis. Dat moeilijke gesprek hoeft nog lang niet.

Kwijt

Ik ben mezelf kwijt. Opnieuw. Tijdens een etentje met twee vriendinnen ben ik opeens verdwenen, zonder nader bericht. Mijn lijf voelt leeg. En blijkbaar heb ik de deur ergens op een kier laten staan, want Mening, Verwachting en Gevoel genieten van de ruimte. Ze cirkelden al een tijdje als aasgieren om me heen, nu strijden ze met elkaar om de beste plek in mijn lichaam.

Aan de buitenkant zie je niks van die innerlijke strijd. Verbaasd bestudeer ik op het toilet mijn spiegelbeeld, in de hoop dat het iets prijsgeeft over waar ik ben. Het moedervlekje op mijn wang. Mijn kleine, blauwgrijze ogen. Mijn stevige onderlip. Het blonde, springerige haar. Maar ik hoor alleen de bijtende woorden van Mening. ‘Je bent te dik, ik zie vetrolletjes door je shirt heen! Wát een rimpeltjes om je ogen. Je had vorige week al bij de kapper moeten zitten!’

Ik draai me weg van de spiegel voor ze het volgende salvo afvuurt. Ik moet mezelf zien terug te vinden. Nu ben ik als een huis zonder stoffering, waar kaal beton het schrille stemgeluid van Mening weerkaatst. Wanneer heb ik mezelf voor het laatst gezien?

Ik loop het toilet uit en voel hoe Verwachting mijn gezicht in een glimlach wringt. Ze duwt mijn verdriet en zorgen zonder mededogen weg en overhandigt de tekst van ‘de gezellige vriendin’. Dus luister ik, ik troost, ik lach en vraag. Hoe beter ik mijn rol speel, hoe harder Verwachting juicht. Ondertussen en onzichtbaar demp ik mijn verdriet met veel meer eten dan ik op kan. Terug op de fiets huil ik. Verwachting lacht: zij heeft gewonnen.

De volgende ochtend ben ik nog steeds weg. Ik probeer Mening te negeren als ik mijn rode jurkje uit de kast pak. Als ik weg ben, moet kleding maar kleur brengen. Verwachting knikt instemmend. Gevoel is inmiddels ongeduldig geworden en slaat toe zodra het kan. Collega H. vertelt over haar scheiding even later stampt Gevoel gniffelend op mijn maag, trekt aan mijn schouders en balt mijn vuisten. Was ik er geweest, dan had ik ‘STOP!!!’ geschreeuwd, maar ik ben er niet. H.’s woorden spoelen als een zwarte waterval van verdriet, woede en pijn door me heen. Terwijl Gevoel geniet alsof ze in een warm bad met geurig schuim ligt, voel ik dat het zuur van de woorden me van binnen steeds verder uitbijt.

Ik sleep me door de dag. Gek genoeg zijn het juist Mening, Verwachting en Gevoel die me op de been houden. Ze maken keuzes, vormen woorden, bepalen mijn handelen. Ik laat ze, terwijl ik ergens achterin mijn hoofd, uit het zicht, een coup voorbereid.

Het moeilijkste is het begin. Ik moet ze verrassen. Terwijl Mening, Verwachting en Gevoel ruziën over wie nu aan de beurt is ren ik razendsnel de kantoortrap af. Geen jas, dat zou teveel van mijn plannen prijsgeven. Ik grijp mijn fiets en race de regen in. Mijn benen pompen, de wind blaast. Doornat en hijgend kom ik aan bij het strand. Ik gooi mijn fiets neer, trap mijn schoenen uit en ren naar zee. Er is niemand, de lucht is donker en wijds. Ik zuig mijn longen vol met zuurstof, voel me vrij… en kom voorzichtig tevoorschijn.

‘Welkom terug’, fluister ik tegen mezelf, ‘ik heb je gemist. Ik snap dat je weg wilde, maar ik heb je nodig. Alleen jij kan Mening, Verwachting en Gevoel aan. Wil je het alsjeblieft nog een keer proberen?’ De wind blaast, maar ik sta stevig. Mening, Verwachting en Gevoel zoeken timide een plekje op aan de rand van mijn lijf. Heel even voel ik me supervrouw.

Volgorde

Deel I

Wanneer begrijpt hij het, denkt ze, terwijl ze met het schuursponsje een restje aangekoekte saus van een opscheplepel poetst. Het moet in de juiste volgorde. Eerst afspoelen, dan de kopjes, de borden, de pannen en tot slot het bestek. Tablet erin, draaien maar! Hoe vaak heeft ze het al uitgelegd?

Maar na vandaag zal hij weten hoe belangrijk volgorde is. Ze kookt een heerlijk maal. Als het klaar is kiepert ze de pannen leeg in de vuilnisbak. Op zijn bord legt ze de lege verpakkingen. ‘Smakelijk!’

Deel II

Altijd heeft ze wat aan te merken. Zelfs de vaatwasser moet ingericht volgens een vast protocol. Staat er maar één kopje verkeerd, dan gaat het de rest van de avond over ‘het belang van de juiste volgorde’.

Vandaag heeft hij de kopjes onderin gezet, de pannen boven. Zie haar bezig met haar wraak: ze serveert alleen de verpakkingen van het eten. Terwijl ze haar preek over volgorde afsteekt werkt hij met een stoïcijns gezicht het plastic naar binnen en verdwijnt naar de wc. Even later is hij terug, een flinke drol op het bord. ‘Zo. Volgorde toch?’

Deel III (Slot)

Ze zitten naast elkaar op de bank, zwijgend. De tv schettert. Tussen hen in hangt wat eerder die dag gebeurde. Haar verbeten pogingen hem de vaatwasser in de juiste volgorde te laten inruimen, zijn kinderachtige wraak.

Na Nieuwsuur sloft ze naar boven, hij volgt zonder nadenken. Ze trekt haar nachtpon aan. Haar witte benen onder het roze kant ontroeren hem, net als het toefje grijze borsthaar boven zijn pyjamajas haar ontroert. ‘Kusje?’ Hij voelt haar donzen wang. Met een glimlach knipt hij het bedlampje uit. Van al die zestig jaar nog geen dag spijt.

Zeemeeuw

‘Als we voor elkaar gemaakt zijn, kom ik je hier vanzelf weer tegen.’ Het licht van de vuurtoren strijkt over haar gezicht . Licht-donker-licht. Net lang genoeg licht om haar serieuze blik te zien. En ik, stapelverliefd, kan niet anders dan haar geloven.

Sindsdien ga ik elk jaar naar Terschelling. Dit is de twintigste keer. Vanaf de boot kan ik de Brandaris al zien, het baken van mijn hoop. Even later loop ik er over de klinkerstraatjes naartoe. Het regent zachtjes. Zoals altijd durf ik eigenlijk niet te kijken, bang voor opnieuw een teleurstelling. Tegelijkertijd kan ik niet wachten tot ik er ben.

Ze is er niet. Ik haal diep adem, strijk met mijn hand over de ruwe stenen van de vuurtoren. ‘Tja jongen, ik weet ook niet waarom ik er in blijf geloven.’ Ik staar naar de grijze lucht. Een zeemeeuw vliegt tegen de storm in naar zee, steeds verder bij me vandaan.

Tijd op om te warmen. Bij Hotel NAP bestel ik koffie. Terwijl ik wacht blader ik door de Terschellinger. Mijn oog valt op een rouwadvertentie. Onderaan: ‘Voor wie wacht bij de Brandaris: Lisa is je nooit vergeten.’ Er is een zeemeeuw bij getekend.